Recente columns

 

Leve het infrafonds!

Over een klein jaar zijn er nieuwe Tweede Kamerverkiezingen. Politieke partijen zijn inmiddels driftig bezig met het schrijven van hun programma’s. Waar leggen zij de accenten? Waar gaan ze de belastinginkomsten aan besteden?

​Natuurlijk spreekt TLN ook met partijen over onze sector. We hebben genoeg om aan te pakken, maar als voorzitter van TLN wil ik ook verder kijken. Ons land moet investeren in ons vermogen om geld te verdienen. Niet in de laatste plaats in onze sector. Veel aandacht is nodig voor een efficiënte arbeidsmarkt, het aanjagen van innovaties en het opruimen van belemmeringen. Maar ik vraag hier aandacht voor een belangrijke basis: de Nederlandse infrastructuur. 

Wie onze water-, spoor- en autowegen vergelijkt met die van ons omringende landen, kan gelukkig concluderen dat hier aandacht is voor het verbeteren van verbindingswegen over land en water. Dat is één van de redenen waarom Nederland zo hoog scoort op internationale rankings van logistieke concurrentiekracht. Waarom ligt het er zo goed bij? In één woord: infrastructuurfonds. De Nederlandse overheid reserveert voor een lange periode vooruit de middelen die nodig zijn voor aanleg, onderhoud en beheer van de infrastructuur. Daardoor hoeft niet voor ieder nieuw project, en voor iedere nieuwe kabinetsbegroting, geld op de rijksbegroting te worden gevonden. 

Het ontbreken van zo’n fonds heeft onder meer in België, Duitsland en Groot-Brittannië tot een politieke verwaarlozing van het wegennet geleid. Het verkeer ondervindt daar dagelijks de gevolgen van. U merkt dat zelf ook als u in het buitenland rijdt. Het huidige infrastructuurfonds loopt tot 2028. In sommige kringen heerst de gedachte dat het dan wel mooi is geweest. Nederland is dan klaar met bouwen. Niets is minder waar. Sinds 2010 is vanwege de bezuinigingen een forse greep in het infrafonds gedaan. Voor grote knelpunten als de A20 Rotterdam-Gouda of de A1 ’t Gooi is geen geld gereserveerd. Daarnaast naderen veel tunnels, viaducten en bruggen hun technische levensduur. Dat betekent een gigantische vervangingsopgave, ook na 2028.

Voor de verdere toekomst laten nieuwe CPB-prognoses een voortgaande groei van transport zien, vooral op de weg en het spoor. Nieuwe, fascinerende, ontwikkelingen als het autonoom rijden maken de auto voor allerlei nieuwe gebruikersgroepen tot een aantrekkelijk alternatief en leiden waarschijnlijk tot extra verkeer. Welke leerling gaat nog door de regen op de fiets als hij of zij ook met de zelfrijdende auto naar school kan?

Kortom: het infrastructuurfonds moet niet alleen blijven, het moet worden verlengd tot ver na 2028 om de toekomst van de Nederlandse economie te ondersteunen. Het initiatief van VVD en PvdA om het fonds in ieder geval nog twee jaar te verlengen, steunt TLN van harte. Maar er is meer nodig. Ook na 2030 moet onze infrastructuur ontwikkeld worden. En als we het toch hebben over het op peil houden van de wegen: kunnen de bezuinigingen van de afgelopen jaren ook worden teruggedraaid?

2016
09