Made in Europe verdeelt Europa

Moeten expediteurs straks bewijzen dat goederen daadwerkelijk "Made in Europe" zijn? Die vraag wordt steeds relevanter nu Brussel werkt aan nieuwe regels die Europese producten mogelijk een voorkeurspositie geven bij subsidies en aanbestedingen. Wat nu vooral een politieke discussie lijkt tussen Frankrijk, Duitsland en de Europese instellingen, kan uiteindelijk uitmonden in nieuwe eisen aan oorsprongsdocumentatie en ketentransparantie.

Begin september presenteerden de rapporteurs van het Europees Parlement hun conceptrapport over de Industrial Accelerator Act. Tijdens de bespreking in de parlementaire commissies op 28 september 2026 bleek dat het Parlement veel verder wil gaan dan de Europese Commissie. Het voorstel van de rapporteurs reserveert publieke steun en aanbestedingen in eerste instantie voor producten die in de EU zijn gemaakt. Derde landen zouden alleen kunnen meedoen als zij aan zeven specifieke criteria voldoen.

Dat is aanzienlijk strenger dan het voorstel van de Europese Commissie. Die kiest voor een bredere benadering, waarbij ook landen met een handels- of aanbestedingsakkoord met de EU in aanmerking komen.

Ook de lidstaten zijn verdeeld. Frankrijk pleit voor een strikt ‘Made in Europe’ beleid, terwijl Duitsland de voorkeur geeft aan een meer open ‘Made with Europe’ benadering, waarbij internationale waardeketens nadrukkelijk worden erkend. Spanje probeert een middenweg te vinden met een systeem van drie voorkeurscategorieën: de EU, vertrouwde partners met wederkerige afspraken - zoals Noorwegen - en landen met een handelsverdrag of deelname aan internationale aanbestedingsregels.

Voor douanevertegenwoordigers ligt de grootste vraag niet zozeer bij de politieke discussie, maar bij de uitvoering. Als toegang tot subsidies of aanbestedingen afhankelijk wordt van de Europese oorsprong van een product, zal moeten worden vastgesteld hoe die oorsprong wordt aangetoond.

Dat kan complex zijn. Moderne producten bestaan vaak uit onderdelen uit tientallen landen. Een ASML-machine bevat componenten van 5.100 leveranciers, verspreid over Nederland (1.600), Europa (700) en daarbuiten. Ook Europese autofabrikanten zijn afhankelijk van wereldwijde toeleveringsketens. De vraag is daarom of bestaande niet-preferentiële oorsprongsregels voldoende zullen zijn, of dat aanvullende documentatie-eisen ontstaan.

Voor douanevertegenwoordigers kan dit leiden tot extra werkzaamheden rond oorsprongsbepaling, leveranciersverklaringen, ketendocumentatie en controles. Bedrijven zullen mogelijk meer gegevens moeten verzamelen over de herkomst van onderdelen en de plaats waar de belangrijkste productiestappen plaatsvinden.

De staal- en basisindustrie hopen dat strikte herkomstcriteria Europese producenten voordeel geven. Tegelijkertijd waarschuwen critici voor extra administratieve lasten in steeds complexere internationale waardeketens.

De politieke discussie gaat nu vooral over de vraag wíe mag profiteren van een Europees voorkeursbeleid. Voor het bedrijfsleven en de douanepraktijk wordt uiteindelijk minstens zo belangrijk hóe Europese oorsprong moet worden aangetoond. Juist daar zullen de komende maanden waarschijnlijk de zwaarste discussies over worden gevoerd.

De parlementaire commissies stemmen naar verwachting begin december over het voorstel. Daarna volgen de onderhandelingen met de lidstaten. Eén ding lijkt nu al duidelijk: over de betekenis van ‘Made in Europe’ is het laatste woord nog niet gezegd.

Meer weten?

Contact de expert

Team Fenex

Fenex-specialisten