De nieuwe wet benadrukt dat tijdelijke contracten uitsluitend voor tijdelijk werk zijn bedoeld. Na drie tijdelijke contracten met een gezamenlijke duur van maximaal drie jaar gaat voortaan in de meeste gevallen een wachttijd van meer dan drie jaar gelden voordat opnieuw een tijdelijk contract tussen dezelfde werkgever en werknemer kan worden gesloten. Voor bepaalde groepen, waaronder studenten, scholieren, BBL-leerlingen en seizoenwerkers blijven uitzonderingen van kracht. Voor AOW-gerechtigden wordt de wachttijd ook groter dan drie jaar.
Oproepkrachten
Nuluren- en de huidige min-maxcontracten worden vervangen door bandbreedtecontracten, waarin een minimum- en maximumaantal uren wordt vastgelegd, met een maximale afwijking van 30%. Oftewel, bij een ondergrens van bijv. 20 uur per week wordt de bovengrens 26 uur per week. Werknemers kunnen uren boven het afgesproken maximum weigeren, maar mogen deze desgewenst wel werken. Bij structureel meerwerk moet een contract met een hoger aantal uren worden aangeboden. Voor bepaalde groepen met een andere hoofdactiviteit, zoals studenten, scholieren, jongeren onder de 18 jaar en AOW-gerechtigden, geldt een uitzondering, mits zij gemiddeld niet meer dan 16 uur per week werken; zij zijn bij een oproepcontract niet aan het bandbreedtecontract gebonden.
Uitzendkrachten
Uitzendkrachten krijgen recht op arbeidsvoorwaarden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van werknemers in reguliere dienst. Deze verplichting wordt voor alle arbeidsvoorwaarden wettelijk vastgelegd en treedt op 31 december 2026 in werking. In de grote uitzend-cao’s is hierop per 1 januari 2026 al geanticipeerd. Daarnaast worden de meest onzekere fasen van uitzendwerk verkort en krijgt de minister de bevoegdheid in te grijpen bij structurele onderbetaling; hij kan dan een uitzendverbod voor een hele sector instellen.
Arbeidsmarktpakket
Dit wetsvoorstel is het tweede onderdeel van het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Eerder werd al de wet inzake het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief vastgesteld. De voorstellen vloeien voort uit afspraken tussen kabinet, werkgevers en vakbonden uit 2023 en zijn gebaseerd op aanbevelingen van de commissie Borstlap en de SER.

